Van aangezicht tot aangezicht| Door Georges Meijer
Bij de tentoonstelling Esthetische integratie in De Nederlandsche Cacaofabriek van Cécile Verwaaijen

Wie enkel zich aan zijn spiegelbeeld oriënteert, treft het 'eigenlijke' zelf niet aan, of gaat, als Narcissus, aan pure zelfbespiegeling ten gronde. En navelstarend kom je jezelf almaar niet naderbij. Het 'ik' is veranderlijk en daarom nimmer met zich hetzelfde. Maar in een andere zin is het met zich identiek in al zijn veranderingen. Wij zijn de vleesgeworden paradox.

Het ik als ander is geen ander. In weerwil van Rimbaud's 'Je est un autre' dat losgeweekt van de context een andere betekenis wordt toegedicht dan uit de context valt te lezen. "...en ik heb in mij een dichter ontdekt. Dat kan ik ook niet helpen. Het is fout om te zeggen: Ik denk: men zou moeten zeggen Men denkt mij. Vergeef mij de woordspeling. Ik is een ander. Jammer voor het hout dat een viool blijkt te zijn..."* Dromers en verliefden, dichters en kunstenaars zijn geneigd en in staat zich als een ander voor te stellen en af te beelden. Maar op het sterfbed blijkt dat die ander niet van het zelf is onderscheiden, de viool niet van het hout waaruit zij is vervaardigd.

Het enige houvast dat wij bezitten is dat dit ik, dat wij (re)presenteren, zich in de wereld bevindt. Denkend aan en over je zelf breekt een moment aan waarin het denken zich verstrikt in de vicieuze cirkel waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Dit denken is getekend door twee verrichtingen, onderscheiden en verbinden. Op dezelfde wijze onderscheiden wij ons van een ander en het andere waarmee en waaraan wij ons verbonden en gebonden weten. Voor zich genomen is zelf niet van interesse, pas in onderscheid met een ander, die net als wij de ruimte van de wereld deelt.

Dit betekent dat het 'ik' pas (een) zelf wordt zodra het zich in gezelschap van de (een) ander weet. Afgezien van het 'ik' als grammaticaal subject kan je als ik alleen zijn, zelf daarentegen is gebonden en verbonden aan ander(en). Ook een ander spreekt in de eerste persoon van zich en weet zich gebonden aan dezelfde ruimte waarin wij ons bevinden. Binnen de overeenkomst met een ander ben ik ontheemd als die ander, vreemd als de ander voor zich en ik vreemd voor de ander. In zekere zin laveren wij, aldus Michel Leiris, tussen drie 'verschillende' beelden die samen een zelfbeeld vormen. Het beeld dat een ander van je maakt, dat wat je zelf van je maakt en het beeld dat je in een spiegel voor lief neemt.

De zelfportretten of portretten van anderen van Cécile Verwaaijen ogen zich sterk bewust van deze concrete overeenkomst van zelf en ander die voorafgaat aan het verschil tussen de een de ander. Stilistisch ogen de portretten van dezelfde hand. De blik van de schilder benadert het zelf op eendere en niet op andere wijze als de ander. Wat ik zie, schilder ik. Dit adagium staat een andere, geprivilegieerde wijze van afbeelden van het eigene niet toe. Ook niet wanneer er sprake van een ander uit en met een andere cultuur is. In eigenlijke zin is de stap van de schilder van zelfportret naar dat van een ander niet minder eigen.

Het bevreemdende in de schilderijen ontstaat door de context waarin de geportretteerde is geplaatst. De context maakt dat de geportretteerde meer eigen oogt. Juist in en door de context blijkt het werk de overeenkomst van zelf en ander te betreffen. De plaatsing van het portret in een voor de geportretteerde 'vreemde' entourage accentueert het (culturele) verschil met de ander en daarmee de overeenkomst.

Zo ogen de portretten als verbeeldingen van de ambivalente overgangstoestand van de migrant, waarin oude gewoonten niet zijn afgelegd en nieuwe nog niet zijn gevormd. De migrant beweegt zich op de grens van twee 'werelden', een tussentoestand die gaandeweg resulteert in een levensvorm waarin deze 'culturele' ambivalentie een permanente en duurzame vorm krijgt; een heterogene, polyvalente praxis waarin hij zowel de rol van kosmopoliet als die van vreemdeling belichaamt.
Juist in deze overgangstijd, komt een visie van de wereld aan het licht waarin eenieder zijn identiteit vindt in en door zijn verscheidenheid. Wij zijn als evenwichtskunstenaars die het verschil in het middelpunt plaatsen, een fragiel evenwicht van distantie en nabijheid. In zo'n toestand van het tussen is er sprake van een zowel als ook, vergelijkbaar met die van de migrant. Het is aan de kunstenaar het spoor van het authentieke, eigenaardige en nieuwe in de cultuur te ontdekken. Hij heeft oog voor het verschil en is van oudsher vertrouwd met de positie van het midden. Een en al oog voor de wereld ontvlucht hij haar ook. Tegelijk is de hedendaagse kunstenaar voortdurend onderweg, overal vreemd en overal thuis. Hij bevindt zich als "passagier in het er-tussen".*

Het denken behoeft verandering -waarom wordt er zo vaak gedacht vanuit de marginalisering van de ander?
Door de geschiedenis heen zijn er altijd smeltkroezen van verschillende culturen geweest. Maar in dit era is het meer dan ooit een noodzaak om zich met een andere cultuur uiteen te zetten. De begrenzing in de huidige situatie tot de eigen cultuur komt op provincialisme neer.
Vanwege een communicatiemedium dat afstanden slecht, alles even nabij doet schijnen. Deze uiteenzetting met andere culturen kan niet, als voorheen, vanuit een eurocentrisch perspectief en westerse hegemonie plaatsvinden. Eerder vanuit een besef dat alle beschavingen die onze planeet herbergen in de nabije toekomst samen één enkele globale cultuur vormen, waarin wij naast en met elkaar verkeren, een samenleving met een interculturele dialoog waarin geen dominerend concept voorhanden is. Waar alle verschillen naast elkaar bestaan en wij onze persoonlijke grenzen en die van de eigen cultuur overwinnen. Een noodzaak daar wij, omdat alle afstanden zijn geslecht, tegelijk en eveneens zijn.

Een interculturele dialoog benadrukt de behoefte naar nieuwe waarden, gevormd naar universeel
menselijke waarden, die wij buiten en naast onze culturele verscheidenheid gemeen hebben.
Deze dialoog kan, zoals Habermas schrijft, als 'Spuren der Vernunft' worden begrepen, "die verbinden
zonder wat onderscheidt gelijknamig te maken", binnen "het vreemde het gemeenschappelijke
kenbaar maakt, maar de ander zijn anders-zijn en/of eigenheid laat".* Een geschiedschrijving is
denkbaar die waardevolle bijdragen uit alle culturen overbrengt.
Iedere cultuur moet zijn etnocentrisme laten varen. Want geen één kan het geheel met recht representeren en zichzelf toeschrijven, juist omdat de gevolgen van denkwijzen en besluiten van de ene ook andere culturen betreffen en raken. Door een intens en afgrondelijk weten van waarin wij overeenkomen, van dit ene leven in deze ene wereld.

Georges Meijer


* brief van 13 mei 1871 aan Georges Izambard in Arthur Rimbaud, Brieven 1870-1875 vertaling Paul Claes, Athenaeum Polak&Van Gennep 2002
* Paolo Bianchi: Sehn-Sucht-Trip: Versuch über das Reisen und Ruhen, Kunstforum Bd. 136 mei 1997
* cit. Paolo Bianchi in Kunstforum Bd. 118, Weltkunst - Globalkultur 1992 blz. 81

Over het werk
teksten en foto
Home  
De schilderijen  
De tekeningen  
Curriculum vitae  
Over het werk  
Webshop  
Contact opnemen  
Vrienden van Cécile