Zelf en ander: portretten van Cécile Verwaaijen| Door Yashobodhi
Zelf en ander

Zelf en ander
Er staat een boeddhakopje op de archiefkast in de hoek van haar atelier. Aan de muur hangt een groot portret van een Chileen die ze afbeeldt als Christus. Onlangs bracht de Bredase kunstenares Cécile Verwaaijen een boekje uit als afsluiting van een tijdperk waarin zijzelf steeds het onderwerp is. Nu maakt ze de stap naar de ander.

Cécile Verwaaijen (1968) komt uit een groot gezin en groeit op tussen rollen stof en kledingstukken in de Achterhoekse textielzaak van haar ouders. Stoffen spelen dan ook een grote rol in haar werk. Het gebruik van textiel en dessins geeft haar een gevoel van vertrouwen, van thuis, waar haar moeder uren achter de naaimachine zit. 'Ik werd rustig als ik keek naar mijn moeder achter die machine. Handwerk vond ik toen al heel mooi.' Nog steeds zoekt ze rust en probeert ze zichzelf te vergeten. Woorden die ze graag gebruikt zijn aandacht en schoonheid. Het toepassen van aandacht brengt haar rust. Ze is altijd op zoek naar schoon¬heid. Als kind had ze een postertje van een soepreclame. Dat was Het Melkmeisje van Vermeer. 'Dat plaatje had een grote invloed op mijn esthetische ontwikkeling. Ik kwam verder helemaal niet uit een kunstzinnig milieu of zo.'
De inleiding van haar boekje Everything you see is me is geschreven door Ton Lathouwers, oprichter en inspirator van de Maha Karuna Chan beweging. Ze komt midden jaren negentig met Lathouwers in aanraking via een vriend die een meditatiegroep heeft. Tijdens een retraite in Drongen spreekt ze hem voor het eerst in dokusan, een individueel gesprek over de meditatiebeoefening. 'Tijdens die dokusan was ik soms gespannen en zenuwachtig. Achteraf dacht ik dan 'dat had ik moeten zeggen of 'dit ben ik vergeten’. Hij zegt een paar zinnen en daar ga je dan zo over nadenken dat er van alles in je hoofd ontstaat. Om daar dan weer rust in te vinden en antwoorden te krijgen ben ik hem een brief gaan schrijven, en hij schreef terug. Dat is uitgemond in een jarenlange correspondentie. We kennen elkaar meer via brieven dan via persoonlijke ontmoetingen.' Na de retraite in Drongen mediteert ze enkele jaren regelmatig en stopt er dan langzaam mee.
De tengere Cécile Verwaaijen maakt een vriendelijke en onverstoorbare indruk. Toch wordt ze gedreven door onrust. 'In de periode dat ik geregeld op retraite ging, was ik heel onrustig in mijn werk. Ik was net afgestudeerd en had een paar reizen gemaakt. Ik was heel erg zoekende. Wilde ik wel echt kunstenaar zijn? En hoe dan? Ik wilde bevestiging en wilde mensen om me heen die ook zoekende waren. Die ook zitten op een kruk en dan gewoon naar zo'n muur zitten
te kijken. Dat sprak mij heel erg aan. Het is ook een soort eenzaamheid. Meditatie voelde heel vertrouwd. Het is als kunstenaar heel herkenbaar: hier in mijn atelier zit ik ook naar de muur te staren. Vaak ben ik heel lang aan het kijken en aan het observeren. In mijn atelier zijn en op de kruk zitten liggen in het verlengde van elkaar. Je hebt geen object waar je op mediteert, maar je stuurt alles wat er in je opkomt weer door de achterdeur naar buiten. Ik vind dat boeiend, omdat ik daar in mijn kunstenaarschap iets mee kan. Je gaat zitten en je bent je gewaar van wat je voelt en wat je denkt. Dat lijkt heel veel op het kunstenaarschap, tenminste zoals ik daar invulling aan geef. Ik maak realistische beelden. Ik kan me voorstellen dat als ik een andere vorm van mediteren prettig had gevonden als ik meer zweverige of esoterische beelden zou maken.'

Non in kloostercel
Cécile Verwaaijen voelt zich als een non in een klooster. Als ze naar haar atelier gaat om te werken legt ze haar wereldse kleding af, doet andere kleding aan en gaat de stilte tegemoet.
Ze gaat zitten en ze werkt. Er wordt de hele dag niets gezegd. Haar schilderijen en tekeningen zijn heel arbeidsintensief. 'De handarbeid of het ambachtelijke van het werk doet mij erg denken aan een non. Het is bijna een soort bidden. Het is toewijding. Dag na dag werk je aan iets, je weet niet wat het wordt en je hoopt er maar het beste van. Het is een soort herhaling en het is soms ontzettend saai. Als ik met zo'n arm of schouderpartij bezig ben duurt dat zo lang. Dan ben je bijna aan het mediteren. Daar werk je ook met weerstand en fysieke pijn. Maar je gaat wel door, want zo breng je iets verder. Je moet discipline hebben om tot iets te komen.' In zijn voorwoord schrijft Lathouwers: 'Zo is haar werk een getuigenis van de waarheid dat mens worden niet ligt in het vinden van antwoorden, niet in het bereiken van wat dan ook, maar in het voortdurende zoeken, in het geduldige wachten, in het standhouden, ook wanneer je niets hoort of ziet dat je verder kan helpen. En dat het in het desondanks blijven doorgaan ligt. En opnieuw beginnen. En in de discipline. Al lijkt het een eindeloze onderneming. Mens worden is een aangelegenheid van verschrikkelijk lange adem.'
Jarenlang schildert Cecile Verwaaijen vooral zichzelf. 'Ik had mijzelf als onderwerp om te onderzoeken wie ik ben. Als ik
erachter kom wie ik ben, snap ik meer van de ander. Als ik erachter kom wie ik ben, kan ik dat misschien zo laten zien dat een ander dat ook interessant vindt. Want als ik het heb over een oppervlakkig ik, dan is dat voor de ander niet zo boeiend. Als je wat dieper gaat, raak je dat universele stukje. En als dat lukt dan raak je ook de ander. Dat is mijn ultieme doelstelling.' In een serie doeken die ze maakt in de jaren nadat ze net is afgestudeerd, beeldt ze zichzelf nog heel klein af op kleine veelkleurige schilderijen. Op die schilderijen maakt ze deel uit van een gedetailleerde omgeving. Ze lijkt hierdoor soms bijna in de omgeving op te gaan, waardoor er een desolate indruk ontstaat. Als ik inzoom gaat het over mij en dat wilde ik niet. Ik wilde het over een vrouw hebben en niet over mij.' Dan komt er een moment dat ze zichzelf toch durft uit te vergroten. Toen ben ik gaan experimenteren. Wanneer ik een doek over mijn haar drapeerde, werd ik een soort non. Dan werd het veel boeiender; dan was ik niet mijzelf. Ik werd wat anoniemer.' Van dat attribuut, de hoofddoek, heeft ze jarenlang gebruik gemaakt. 'In de laatste fase van het schilderen van mijzelf met de hoofddoek kwam er een soort beklemming. Dat zie je ook aan die hand die als het ware mijn eigen keel omklemt. Ik raakte verstrikt in die doeken. Aan je beelden kun je dus ook zien waar je staat en hoe je verder moet.'

Duwtje
Nadat ze bekneld is geraakt in haar hoofddoeken, vindt er een omslag plaats. Ze verlegt haar aandacht van zelf naar ander. Dit heeft voornamelijk met de geboorte van haar zoon te maken. 'Het ging altijd alleen over mij, mij, mij. Ik kon alle dagen lekker in mijn atelier werken. Maar toen ik zwanger werd en dat kind voor me zag, was er zo letterlijk een ander. Er zijn natuurlijk altijd anderen geweest, maar om met deze ander bezig te zijn was veel confronterender. Dat heeft mij dat duwtje gegeven. Want ineens voelde ik nog sterker de pijn van anderen. Als ik vroeger een kind zag huilen deed me dat pijn, maar nu wil ik echt iets doen. Nu grijp ik in.' De sindsdien ontstane serie over de ander bestaat uit grote tekeningen waaraan ze werkt door ze aan de muur te nieten. Bij een aantal portretten zijn gelaat en handen in pastel getekend, omvat door een collage van gescheurde lagen dik papier in verschillende kleuren. Andere zijn volledig getekend. Op dit moment werkt ze aan het eerder genoemde portret van een Chileen als Christus. In deze serie portretten beeldt ze voor het eerst niet meer haarzelf uit, maar de ander. Die ander is in dit geval de allochtone ander.
'Het is alsof het me een beetje overkomt. Ik heb in mijn vrienden- en kennissenkring veel allochtone mensen en in de buurt waar ik woon ook. Ik ken die mensen en kom ze tegen. Ze boeien en prikkelen mij door hun anders zijn, door hun exotische achtergrond. Ze roepen vragen in mij op.' Zo tekent ze haar Marokkaanse buurmeisje als meisje met de parel van Vermeer, probeert ze de buurvrouw over te halen te poseren voor een portret dat is geïnspireerd op een schilderij van Holbein en staat haar Koerdische zwager model in Mahmut, portret van een man (naar Bouts). Op deze manier mengt Cécile Verwaaijen culturen en krijgen haar schilderijen een maatschappelijke lading. 'Het is een soort esthetische inte¬gratie. Dat is fijn om te merken. Het is iets wat ik al heel lang wilde en met die zelfportretten kreeg ik dat nooit voor elkaar. Dat bleef toch een veel kleinere wereld. Maar er was altijd de behoefte om voor de maatschappij relevante onderwerpen te kiezen. Want het raakt me wat er om me heen gebeurt. Het is prettig dat ik eindelijk een soort opening heb gevonden en iets met die behoefte kan doen.'
Yashobodhi is lid van de Westerse Boeddhisten Orde en redacteur van Vorm en Leegte.
Het boekje Everything you see is me: een selectie uit het werk von Cécile Verwaaijen (€ 17,95) is te bestellen via info@cecileverwaaijen.nl / www.cecileverwaaijen.nl

Over het werk
teksten en foto
Home  
De schilderijen  
De tekeningen  
Curriculum vitae  
Over het werk  
Webshop  
Contact opnemen  
Vrienden van Cécile